TERUGBLIK OP DE STEENBAKKERIJ, BROUWERIJ EN MOUTERIJ CUYKENS

De start van de steenbakkerij Cuykens gaat terug tot de figuur van Franciscus Alfons Cuykens (1835-1892), telg van een vooraanstaande steenbakkersfamilie uit Rumst. Samen met zijn echtgenote Joanna Van Montfort (1835-1867) had hij 3 zonen, waarvan de middelste op 6-jarige leeftijd is gestorven. Na het overlijden van zijn echtgenote is hij hertrouwd en had hij met zijn tweede vrouw nog 2 doodgeboren kinderen. Voor zijn jongste zoon Constant ( Rumst 1865 - Lier 1923) kocht hij in 1882 de failliete stoomsteenbakkerij ‘Martin & Frères SA’. Deze was in 1877 opgericht door industriëlen uit Charleroi op het gehucht Lachenen, waar een dikke kleilaag – net als in de streek van Boom, Rumst en Terhagen – als in een golfbeweging dicht tot aan de oppervlakte kwam. Het was toen de meest moderne steenbakkerij van het land, gelegen vlakbij de Nete om de noodzakelijke grondstoffen, brandstof en eindproducten aan- en af te voeren. De steenbakkerij was uitgerust met stoommachines, wat niet naar de zin was van de arbeiders en de metsers uit de streek die hierin een bedreiging zagen voor hun werkgelegenheid. Na alweer een boycot werd de bedrijvigheid dan ook stop gezet. Na de overname besliste Constant Cuykens om de machines uit te schakelen en op ambachtelijke wijze ‘handsteen’ te vervaardigen. Constant Cuykens trad in 1889 in Boom in het huwelijk met Anna Van der Cruysen (1865-1939), afstammelinge van een familie van industriële molenaars. Het echtpaar kreeg 3 kinderen: Alfons (Lier 1890-Lier 1970), Gerarda (Lier 1891-Stabroek 1944) en Virginie (Lier 1892-Stabroek 1987). Het was de echtgenote van Constant die de ondernemerszin in het bloed had, die op het idee kwam om de onbenutte stoommachines aan te wenden voor de oprichting van een brouwerij en mouterij. Op deze manier werd ook een oplossing gevonden voor de seizoensgebonden arbeid van de steenbakkerij. 

Het werd de start van een bijkomende bloeiende bedrijvigheid, die verder merkelijk uitgebouwd werd onder leiding van Alfons Cuykens. Deze trad in 1917 in het huwelijk met Henriette Vanhoutte (1889-1919), die afkomstig was van een brouwersfamilie uit Adinkerke. Zij overleed in 1919 op 30-jarige leeftijd als gevolg van de Spaanse griep. Samen hadden ze 1 dochter – Anny (Houtem 1918-Emblem 1956) -, die gehuwd was met Gerard Petit ( Ieper 1908 - Kessel 2002), advocaat die eveneens werkzaam was in de brouwerij. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwde Alfons Cuykens met Livine Alpaerts (Lier 1903-Antwerpen 1990). Alfons was in Lier een bekende figuur. Hij was actief bij de liberale partij, lid van verschillende liberale verenigingen, zetelde in de gemeenteraad en in het schepencollege. Tijdens W.O. II steunde hij financieel het verzet, zodat hij een tijdlang werd aangehouden door de Duitse ‘Sicherheitsdienst’. Zijn dochter was tijdens dezelfde periode lid van de Witte Brigade Fidelio. Van 1919 tot 1921 was hij voorzitter van K Lierse SK, nadien werd hij ere-voorzitter. Onder zijn leiding promoveerde de club naar de nationale reeksen. Omwille van de oorlogsomstandigheden werd de nationale voetbalcompetitie zowel tijdens het seizoen 1939-1940 als 1940-1941 vervangen door een noodcompetitie, die telkens door K Lierse SK werd gewonnen. De finale die de campagne 1940-1941 afsloot werd op 5 juli 1941 in Brussel met 3-1 gewonnen van White Star. In volle oorlogstijd spoorden ruim 2.000 Lierse supporters met speciale treinen naar de hoofdstad. De spelers, trainers en bestuursleden werden na afloop ontvangen in de brouwerij. Alfons Cuykens sponsorde ook andere sportevenementen zoals ‘de groote prijs van Lier’ en ‘de Omloop van Midden-België’. Hij was commercieel aangelegd en had een neus om zaken te doen. Zo beschikte hij over een uitgebreid netwerk van eigen cafés, waar hij zijn bieren en dranken kon afzetten.

 De fabrieksgebouwen werden meermaals door brand geteisterd. Dit was o.m. het geval in 1897, 1937 en in mei 1967. Op 24 oktober 1940 werden 4 hangars vernield toen 3 bommen op de site neerkwamen. De gebouwen hadden trouwens fel te lijden tijdens W.O. II. Zo werden de ijzeren balken en het hout weggehaald om een noodbrug te bouwen over de Nete ter hoogte van de Anderstad en om andere vernielde bruggen te herstellen. Een andere anekdote uit dezelfde periode doet vandaag nog de ronde. Bij de inval van de Duitse troepen werden alle paarden en vrachtwagens – zo ook deze van Cuykens – opgeëist. De begeleiders brachten de paarden naar de verzamelplaats op de Grote Markt. Van daaruit werden ze door de Duitsers richting Mechelen gestuurd. Toen de paarden aan de Mechelsesteenweg aan de brouwerij kwamen, sloegen ze naar goede gewoonte af naar hun vertrouwde plek. De Duitsers konden ze ondanks alle inspanningen niet tegen houden. Ook de andere paarden volgden. Het waren uiteindelijk de begeleiders van Cuykens die de paarden onder controle kregen en hen een eindwegs begeleidden richting Mechelen. Bij het einde van de jaren ’40 en het begin van de jaren ’50 behoorden de brouwerij en de mouterij tot de belangrijkste van het land.  In 1947 en 1953 werden in de brouwerij nieuwe stoommachines geplaatst. De fabrieksgebouwen, de droogloodsen, de hoge schouwpijp en de arbeiderswoningen vormden gedurende meerdere decennia een vertrouwd beeld langs de Mechelsesteenweg. 

Brouwerij Cuykens bracht meerdere merknamen op de markt. Het meest bekend was de ‘Silver Pils’. Daarnaast waren ook de ‘Extra Blond’, ‘Export’, ‘Sheep’s Ale’, ‘Sheep’s Bier, ‘Paterkes Bier’, ‘Scotch Ale’’ en ‘Monikken Brau’ fel in trek. Cuykens produceerde vooral na WO II onder de naam ‘Pico’ verder eigen limonades met orangeade, citron, ananas en grenadine smaak en zelfs het eigen tafelwater ‘Spit’. Promotie werd gevoerd via een gans gamma van bierglazen en bierviltjes en publicitaire aankondigingen in bladen. Bij het einde van 1967 werd de productie stil gelegd en werd de brouwbedrijvigheid overgenomen door Lamot uit Mechelen. In Lier bleef enkel nog een depot van Lamot. Onder de naam ‘Cemalt’ bleef de mouterij onder leiding van de familie Petit verder actief tot in 1977. Van 1959 tot 1977 was Henri Maelfait de laatste brouwingenieur. De steenbakkerij – waar het allemaal mee begon -, had al eerder tijdens de eerste helft van de jaren ’60 de bedrijvigheid stopgezet. Tijdens de jaren ’80 werden de fabrieksgebouwen en de woningen langs de Mechelsesteenweg afgebroken, om plaats te maken voor een afvalverwerkingsinstallatie van Igemo. Tijdens het leegpompen van de kleiputten werd het oude pompgebouw dat tijdens een stormnacht in de jaren ’50 onder de waterspiegel verdween, op nieuw zichtbaar. Dit was eveneens het geval voor het gemetseld gewelf onder de Mechelsesteenweg langs waar de wagentjes vol klei naar de fabriek aan de overzijde werden vervoerd. In 1989 werd gestart met het storten van afval in de oude kleiputten, die in 2003 volledig vol waren. Het opgehoogde terrein zou ingericht worden als golfterrein, wandelpark of recreatiezone, maar werd uiteindelijk volledig ingevuld met zonnepanelen. Zodoende kwam na bijna 100 jaar ‘roemloos’ een einde aan een brok Lierse economische geschiedenis.

Tekst: Débé (met bijzondere dank aan Dirk Bracke, Francis De Groot, Filip Maelfait, Walter Sluydts en Felix Struyf).

Foto’s: Archief Lier – www.kempenserfgoed.be, Dirk Bracke en Felix Struyf.

Begindatum: 
woensdag, 9 juni, 2021
Einddatum: 
woensdag, 9 juni, 2021

Door onze website te gebruiken, verklaart u zich akkoord met onze cookie policy en privacy policy. OK